Tree pose

Vorig jaar schreef ik een stuk onderwijsvisie voor mijn studie. Dit jaar moest ik dat teruglezen en herzien. Dit stuk hoeft wat mij betreft niet herzien te worden.


Eens in de zoveel tijd duw ik mijzelf weer eens in een yogales, wetende dat het stilte-moment en voelen wat er echt in mijn lijf gebeurd altijd winst oplevert. Onze yogadocent heeft de gewoonte om met thema’s te werken. Een soort opdracht voor jezelf tijdens de les. Veelal voelen die opdrachten zweverig en abstract aan. Af en toe maakt ze deze heel praktisch en concreet. Op deze bewuste dag was ik van huis gevlucht om te ontsnappen aan mijn writers block in deze visie opdracht (lees hier gerust studie-ontwijkend gedrag) en een jengelde zoon van 1,5. Alsof the universe mijn knelpunt had opgemerkt belandde ik in een yogales die een verbinding wist te leggen en nieuwe inspiratie te ontketenen.

Bij de start van de les had de docent een introductie van het thema gedaan, voor mij op dat moment volledig zweverig en abstract: holisme. Ik zat ook helemaal niet te wachten op nog meer informatie en denkwerk, ik wilde even mijn gespannen bureaustoel-lijf stretchen en hoofd uitzetten. Maar terwijl ik in een tree pose met één been op de grond stond te wiebelen maakt ze het thema tastbaar en persoonlijk. ‘Als je niet stevig staat is dat geen probleem, sommige dagen lukt het beter dan andere. Gebruik het wiebelen om te kijken waar de disbalans vandaan komt. Slaap je goed of is je lijf moe? Ben je aan het piekeren en niet echt hier? Wat heb je gegeten, krijgt je lijf goede voedingsstoffen? Hoe voelt de mat onder je voeten, is het glad? Holisme is zien dat al die verschillende facetten onderdeel van het geheel zijn en allemaal een belangrijke rol spelen om stevig te kunnen staan’.

Onderweg naar huis nam ik het thema in mijn hoofd mee en viel er een kwartje. Waar ik holisme altijd had beschouwt als iets met plantjes, bloemetjes en bijtjes, werd mij in de tree pose duidelijk dat een holistische kijk universeel kan zijn. Sterker nog, ik begon voorzichtig te vermoeden dat ik een nogal holistisch-overtuigde kijk op onder andere het onderwijs had. Toen ik mijn vermoeden besprak met mijn studiecoördinator en collega’s bevestigde zij mijn holistische kijk en drive tot verbinding. Ik was praktisch zelf de verbinding.

Terwijl deze openbaring een plek zocht kwamen er steeds meer voorbeelden tot mij van momenten waarop deze holistische kijk in onderwijs overduidelijk werd. Zo vond ik het altijd verbazingwekkend dat docenten die al meer dan 5 jaar op dezelfde school werkten de conciërges en schoonmakers niet kende. Hun blik is meestal eerder naar buiten gekeerd, naar de beroepspraktijk, de plek waar de studenten uiteindelijk terecht komen. In de vernieuwing van het onderwijs komen dan ook vaak voorstellen naar boven om de beroepspraktijk meer te betrekken. Termen als hybride, blended, regioleren en boundary crossing zijn hot topic. Bijna nooit zijn er plannen (of zelfs motivatie) om de verbinding binnen de school te verstevigen, en dan bedoel ik niet enkel tussen docenten. Dat is mijn inziens niet eens alleen een gemiste kans. Het is een absolute bedreiging voor het succes van vernieuwing in het onderwijs.

Want neem nog maar eens die tree pose en het verhaal van de yogadocent voor je. Denken dat enkel en alleen docenten en professionals uit de praktijk (kracht en focus) bepalend zijn voor je succes (stevig staan) zorgt ervoor dat je je volledig blind staart op de invloed op dit succes vanuit andere intern betrokken partijen zoals conciërges (betrouwbare mat) en kantinemedewerkers (goede voeding). Een verbindende docent is voor mij een docent die zich bewust is van de eigen beperkte en gemeenschappelijke rol in de balans en het potentiële succes van het onderwijs. Vanuit deze kijk op onderwijs is integratie van generieke vakken in beroepsspecifieke vakken, en andersom, dan ook niet enkel en mogelijkheid die ad hoc wel eens benut kan worden, maar een basisbehoefte.

How I used my #blackouttuesday (and will be using my time daily) to further educate myself and my students, friends and family on racism

Selecting and following Instagram accounts of powerful black women and men, institutions and organizations (examples: @dustinthierry; @hasnaelmaroudi; @dionneverwey; @sagidcarter; @kozwartepiet; @colorofchange; @the_blackarchives; @thewhiteshift)


Re-reading ‘Roofstaat’ and buying more books alike (ordered: Hallo witte mensen; Small Island, Woman, Race & Class; Girl, Woman, Other)


Selecting and following podcasts on anti-racism work (newly followed: Raising White Kids, with Jennifer Harvey; About Race; Angelique’s Voice Notes; Dipsaus)


Selecting books to buy next for my son where he doesn’t just see white boys or hero’s, but also black and female (put on my to-buy-next list: Black Girl Magic; Elke dag iemand anders; Ada Dapper, wetenschapper)


Adding movies and documentaries about race and racism to ‘My List’ on Netflix (added: 13th; Dear White People; See You Yesterday; American Son)


Selecting 10 articles to read in the upcoming 10 days (saved i.a.: Antiracist checklist for whitesPrinciples for White Affinity Study GroupsWhen Feminism Is White Supremacy in HeelsWhy White People Freak Out When They’re Called Out About Race)


You can’t expect things to change,
if you’re not willing to put in the work.
Get to work!


Investigate yourself? Resources for anti-racism work:

https://docs.google.com/document/d/1BRlF2_zhNe86SGgHa6-VlBO-QgirITwCTugSfKie5Fs/mobilebasic
https://www.nytimes.com/2019/05/29/books/review/antiracist-reading-list-ibram-x-kendi.html
https://twitter.com/hannests/status/1267351815135387652
https://www.forbes.com/sites/juliawuench/2020/06/02/first-listen-then-learn-anti-racism-resources-for-white-people/#4dc463bf16ee
https://www.jennaarnold.com/resources
https://www.rachelricketts.com/antiracism-resources
https://blog.fracturedatlas.org/resources-for-white-people-to-learn-and-talk-about-race-and-racism-5b207fff4fc7
https://www.dismantlingracism.org/

Have more tips to read, watch or listen to? Let me know!

Illustration: Mikyung Lee for Guardian US

Als je boos bent over de Dam, dan begrijp je nog steeds niet hoe hoog de nood is

Het is dinsdag 2 juni.
De tweede dag van Keti-Koti maand, nationale herdenking van de slavernij.
De dag waarop de muziekindustrie kiest om mee te vechten: #theshowmustbepaused
De dag van de soldariteitsdemonstratie in mijn woonplaats Den Haag: #blacklivesmatter
De dag na de versoepeling van een lange periode strenge maatregelen.
De dag waarop breed verspreidde verontwaardiging heerst over de demonstratie op de Dam.

Er is al veel geschreven en gezegd.
Laat mij er toch dit aan toevoegen.

Die verontwaardiging die velen nu voelen over de grote samenkomst in tijden van Corona, is dezelfde verontwaardiging die je voelt bij onrustige protesten waarbij eigendommen worden vernield en personen in gevaar worden gebracht (iets met tractoren…).

Laat je echter niet verwarren door de rustige en vreedzame sfeer of woorden als ‘demonstratie’.
Wat zich gisteren op de Dam afspeelde was geen herdenking zoals die op 4 mei.
Wat zich gisteren op de Dam afspeelde was een protest.

De Dikke Vandale beschrijft het woord ‘Protest’ als volgt: ‘uiting van verzet’. Synoniemen: ongehoorzaamheid, tegenspraak, opstand, rebellie, recalcitrantie.

Als je boos bent over de Dam, dan begrijp je nog steeds niet hoe hoog de nood is.
Als je boos bent over de Dam, dan ben je jezelf niet (voldoende) aan het onderwijzen.
Als je boos bent over de Dam, dan werk je nog niet actief mee aan een anti-racistische samenleving.

Om die reden zal ik vanavond wel (met mondkapje en op 1,5m) aanwezig zijn bij het protest in Den Haag én mijn eigen platform gebruiken om te onderwijzen.

Gaat het confronterend zijn om te leren hoe onbewust je dagelijks bijdraagt aan een racistische samenleving? Absoluut.
Gaat het makkelijk en snel lukken om 400+ jaar aan racistische verhoudingen van ons af te schudden? Nee.
Steken we daarom maar de kop in het zand en hopen we dat ‘de discussie’ wel overwaait? Hell fucking no.

We got work to do
#enoughisenough

Leer ze geen zure appels te vermijden, leer ze alsjeblieft zure appels te eten

‘Schrijf een blog voor de toekomstige mbo-docent’. Dat was de opdracht. En die leek bijzonder simpel vergeleken met de andere portfolio-opdrachten van de studie Pedagogisch Didactisch Getuigschrift. Had je mij vier weken terug de keus gegeven tussen het schrijven van een blog of academische stukken als adviesrapporten en essays, dan was het vrij zeker dat ik de blog had gekozen. Nu denk ik daar wel anders over.

Talloze uren spendeerde ik aan het brainstormen over ideeën, teruglezen van mijn samenvattingen en schrijven van eerste aanzetjes. Op zoek naar antwoorden op vragen als: wat wil ik de toekomstige mbo-docent meegeven, wat maakt het vak mbo-docent bijzonder, wat is je impact als mbo-docent en wat maakt iemand een goede mbo-docent? Meer dan honderd antwoorden vond ik hierop. Het werd mij duidelijk dat de functie mbo-docent niet in één onderwerp was te vangen en ik liep vervolgens compleet vast door de belangrijkste schrijftip voor dit soort stukken: hou het bij één onderwerp.

Ik besloot het advies dat ik mijn studenten vaak geef zelf op te volgen: ‘If nothing changes, nothing changes. Je kunt niet een ander resultaat verwachten als je je aanpak of verwachting niet verandert. Neem even afstand en begin op andere wijze opnieuw als je je er niet meer boos om maakt’.

Een paar dagen later kwam er een vriendin spontaan op anderhalvemeter-bezoek. We bespraken quarantaine-getrouw onderwerpen als verlies van werk of thuiswerken, behoefte aan BBQ’s in de tuin en oplossingen tegen eenzaamheid. Toen vloeide het gesprek over naar onderwijs. ‘Ik hoop trouwens wel snel weer voor de klas te kunnen staan’ hoor ik haar zeggen. Ik denk aan de basisschool waar ze als freelancer werkte en vraag hoe ze het daar nu doen en hoe het gaat. We raken vervolgens aan de praat over de verschillen voor docenten op basisscholen, middelbare scholen, mbo’s, hbo’s en universiteiten. Waar we begonnen met de overtuiging dat elk type onderwijs om een ander type docent vraagt, komen we gaandeweg het gesprek tot de conclusie dat je werkelijk overal docent kunt zijn als je één specifieke oer-behoefte op een laag pitje kan zetten: aardig of cool gevonden willen worden.

Terwijl de vriendin alweer diep in het volgende onderwerp is gedoken blijft het gesprek over de functie van een docent bij mij nog doorwerken. Er schiet een scène uit de serie ‘Scorpion’ in mijn hoofd omhoog. In een van de afleveringen helpt Ralph, een hoogbegaafde jongen van 11, zonder dat hij dit doorheeft, een hacker in een online game bij geheime data te komen die daar verstopt zit. Wat volgt is een dodelijke aanslag van de hacker. Omdat alleen Ralph kan worden getraceerd wordt hij gearresteerd. Hij snapt niet wat er gebeurt en zijn moeder vraagt zich vooral terecht af hoe het komt dat een jongen van 11 in een dergelijk spel terecht kwam.

Wat blijkt, hoofdrolspeler Walter, ook hoogbegaafd en een soort vaderfiguur voor Ralph, wilde Ralph graag iets te doen geven waar hij echt door wordt uitgedaagd en plezier aan beleefd, in de hoop dat Ralph meer naar hem toe zou trekken. Hij liet Ralph daarom zien hoe je op de Dark Web programmeer-uitdagingen kon vinden. Dat de Dark Web geen plek voor kinderen is blijkt wel uit de geëscaleerde situatie. Walter realiseert zich aan het einde van de aflevering, als Ralph zijn onschuld is bewezen en de hacker opgepakt, dat hij in zijn wens aardig gevonden te worden vergat dat hij een opvoedkundige taak heeft als volwassene.

Dat gevoel van aardig gevonden willen worden is heel normaal. Als we kijken naar het jagers-verzamelaars tijdperk waar veel van onze diepgewortelde instincten zijn gevormd, valt op dat het van belang was dat je werd opgenomen in een groep. Zonder samenwerking was je namelijk niet zeker van eten, drinken en bescherming en was je kans op overleven minimaal. Je leven hing dus letterlijk af van geaccepteerd worden door een groep. Hoewel de samenleving nu zo is ingericht dat je ook als alleenstaande aan eten kan komen en veilig kan zijn, is die instinctieve drang om ergens bij te horen nog steeds onderbewust aanwezig.

Voor eenieder die voor het eerst voor de klas (of een groep) heeft gestaan is dit gevoel bekend. Maar ook als je niet voor een klas staat herken je dit wellicht. Denk maar aan de familiefilm ‘Meester Kees’, waarin Kees als jonge stagiair voor een basisschoolklas wordt gegooid als tijdelijke vervanging van de leerkracht die met een burn-out thuis zit. Als een antilope voor een groep leeuwen kijkt Kees angstig de stille klas in, beide in afwachting van een eerste indruk. Kees blijkt een meester te zijn in leren leuk maken en de klas gaat voor het eerst in tijden met plezier naar school. Dat is al mooi om te zien, hoewel de echte magie pas plaatsvindt wanneer hij ervoor kiest om een lastige les een lastige les te laten zijn, met als risico zijn coole imago te verliezen. Het aanvoelen wanneer de behoefte aan dat coole imago ondergeschikt moet zijn aan de les, dat is wat Kees uiteindelijk een krachtige en effectieve meester maakt.

Dat het noodzakelijk is dat een lastige les soms gewoon een lastige les moet zijn, onderschrijft Franse pedagoog en filosoof Philippe Meirieu in zijn boek ‘De plicht om weerstand te bieden’ (2019). Hij betoogt dat ‘weerstand ervaren, weerstand leren bieden aan verlangens en leren omgaan met weerstand van anderen’ fundamentele ervaringen zijn die in opvoeding en onderwijs moeten worden meegegeven. De kunst is volgens Meirieu niet te leren het leven met zo min mogelijk weerstand in te richten, maar juist te leren dat weerstand een voorwaarde is voor een volwassen levenshouding. In aanloop naar zijn conclusie richt Meirieu zich onder andere op de principes die we bijvoorbeeld terugzien in neuromarketing waarbij kennis uit de neurowetenschap wordt gebruikt om beïnvloedingstechnieken te construeren. Dit leidt tot onbewust consumentengedrag dat Stiegler (in Meirieu, 2019) bestempelt als ‘volledige afwezigheid van denken’.

Die ‘volledige afwezigheid van denken’ lijkt een staat te zijn die we steeds meer terugzien in adolescenten in de schoolbanken. Er is geen tijd geweest waarin de mens zoveel impulsen op zich af kreeg als in de huidige eeuw. Voor een volwassene is het met al die impulsen al pittig om rationele afwegingen te maken en voor zichzelf te denken. Laat staan voor een adolescent waarbij de prefrontale cortex (PFC, het hersengebied dat o.a. verantwoordelijk is voor impulsbeheersing) nog flink in ontwikkeling is. Neurocognitieve ontwikkelingspsychologe Eveline Crone stelt in haar boek ‘Het puberende brein’ (2018) dan ook dat de opvoeder en de docent als het ware (tijdelijk) de functie van de PFC overneemt, om deze vervolgens veilig te begeleiden bij het volgroeien van een sterk werkende eigen PFC.

Bij het ontbreken van deze noodzakelijke impulsbeheersing dreigt wat nu al de Snowflake-generatie wordt genoemd, een generatie die weinig tot geen weerstand hebben hoeven ervaren in hun opvoeding en tegelijkertijd grenzeloos toegang hebben tot alles. En je kunt het ze niet eens kwalijk nemen. Want in onze huidige wereld kun je alles on demand krijgen. Film kijken? Niet wachten tot vrijdag, geen reclames, niks. Gewoon nu aanzetten. Boek bestellen? Niet op de fiets naar de boekenwinkel om erachter te komen dat het boek is uitverkocht en een week moeten wachten. Gewoon nu bestellen, vanavond binnen. Als al je wensen zo vlekkeloos gaan, dan is het logisch dat je helemaal niet weet hoe je met de emotie die bij weerstand komt kijken moet omgaan.

Om af te sluiten keer ik terug bij Meirieu: ‘Elke keer dat wij als opvoeders en onderwijzers, een kind ontmoeten, moeten wij onze verantwoordelijkheid nemen door situaties te scheppen waardoor zij in de wereld kunnen komen en hun vrijheid kunnen ontdekken’. In een wereld waarin kennis en contacten universeel via het wereldwijde web te verkrijgen zijn en er een continue stroom aan impulsen op ons afkomt, ligt de grootste taak van de 21-eeuwse mbo-docent in het leren omgaan met weerstand en impulsen. En dat kan enkel als je als docent niets gladstrijkt of met glitters versiert om de coole of aardige docent te zijn. Een zure appel moet gewoon een zure appel kunnen zijn, want ook na school zal je zure appels tegen gaan komen. Wees niet de docent die ze zure appels heeft leren vermijden, maar leer ze alsjeblieft zure appels te eten.

Quarantaine-tranen

Als je de eerste week na de geboorte van een baby hebt meegekregen ken je dit fenomeen: kraamtranen. Mocht je dit voor het eerst horen, het is geen alternatief woord voor krokodillentranen en ook geen netter woord voor iets wat je misschien helemaal niet wilt weten. Nee, kraamtranen zijn echte tranen die bij vrijwel alle vrouwen die zijn bevallen rond dezelfde dag komen, gemiddeld tussen de 3 en 5 dagen na de geboorte. We kennen die emotionele ontlading ook van het moment vlak voor en begin van de ongesteldheid. Hormoonlevels gaan schommelen en humeur en traanbuisjes schommelen vrolijk mee. Die grote verandering in hormoonhuishouding is ook precies wat die twee situaties gemeen hebben. Maar ontladingstranen komen niet alleen in combinatie met vrouwelijke hormoonschommelingen ben ik inmiddels achter.

Na bijna anderhalve week in quarantaine bereikte vrijwel iedereen die ik digitaal sprak een breekpunt. Nadat het duidelijk werd dat dit thuisblijf-feestje nog wel even zou gaan duren, begon de initiële stress van alle verandering er langzaam vanaf te glijden. Die 1,5 meter afstand ging nu redelijk automatisch, er was weer toiletpapier en video-verjaardagsfeestjes waren ondertussen de normaalste zaak van de wereld. Maar hoe stevig je ook in je schoenen leek te staan toen de wereld op zijn kop ging, je lijf stond al dik een week stijf van de adrenaline. En wat doet een lijf na zo’n piek? Juist. Ontladen.

Ook ik hield nauwelijks de hele dag een droog gezicht. Van wanhoop naar ontroering en weer terug ging ik door een jankende achtbaan. Elke emotie was een trigger en startschot voor mijn traanbuizen om de stuwdam open te gooien. En ik jankte werkelijk waar om alles. Mijn favoriete dagboekpen rolt van het nachtkastje achter het niet te verplaatsen bed. Janken. Humberto die subtiel de presentatie overneemt als Matthijs vol schiet in de uitzending over Nouri en geen woord meer kan uitbrengen. Janken. Bliksem McQueen die er in de laatste minuten van de film Cars voor kiest om niet de winst te pakken maar de gecrashte concurrentie ophaalt en de finish over duwt. Janken. Mijn zoon die de letter S onder controle krijgt en trots door het huis marcheert terwijl hij het woord ‘plas’ 50 keer herhaald. Janken. Janken, janken, janken.

Een lekker potje janken doet overigens precies wat het moet doen. Na één dag onvrijwillig Niagara Falls te hebben nagebootst en een goede lange nacht te hebben slapen, was ik er weer. Mijn gedachten waren weer helder, de hoop dat alles wel goed komt was terug en ik had zowaar zin om er een leuke en nuttige tijd van te maken. Met hernieuwde energie kwam ik weer tot leven. Dan zijn die quarantaine-tranen toch nog ergens goed voor geweest dacht ik zo.

Column Klap van de Molen – maart ’20

Mijn god wat keek ik op tegen het geven van mijn eerste digitale les op afstand. Niet vanwege de digitale uitdagingen die het met zich mee brengt. Mijn generatie Z-studenten zijn namelijk praktisch geboren met een digitale devices in de hand waar ze continu mee videobellen. Soms doen ze dat zelfs tijdens de les met iemand die op een andere school óók in de les zit.
Ja. Of dat nu het beste moment is voor een belletje is een legitieme vraag, maar je kunt niet zeggen dat ze contact op afstand niet volledig onder de knie hebben.
Beter ook dan menig docent. ‘Uhm mevrouw, u moet nog even op scherm delen drukken, die knop zit daar linksonder.’
Tja. Stond je als 30-jarige millennial nog dicht bij de doelgroep in de klas, voel je jezelf digitaal toch gigantisch oud en enkel nog expert te noemen op de inhoud.
En dat was nu precies waar mijn spanning voor deze eerste digitale les vandaan kwam. We moesten verder met het reguliere onderwijs. En dat betekende dat er een les ‘Touren’ op de planning stond. Les 6 om precies te zijn, die zonder Corona-maatregelen in poppodium Gebr. de Nobel had plaatsgevonden.
Buiten het lokaal de handen uit de mouwen en in de klei!
Uhm nou ja, handen aan de flightcases en XLR-kabels dan.
Nu zaten we allemaal echter noodgedwongen doch leerplichtig thuis.
En dat is een stuk complexer lesgeven.
Want hoe hou je in godsnaam de aandacht op het uitleggen van een technische rider als studenten plotsklaps hun baan kwijt zijn en geen inkomsten meer hebben?
Hebben de hersenen van de student nog wel de capaciteit om zich over een logistieke tourplanning te buigen als ze zich zorgen maken over hun zieke moeder?
En hoe maak je het leren van vakjargon zoals rolling risers en per diems leuk als studenten moederziel alleen in hun studentenkamer zitten zonder tafel om aan te werken?
Met een draaiend hoofd zet ik de camera aan. ‘Goedemorgen allemaal’.
De les is begonnen. En ja, we hebben het natuurlijk even gehad over het thuiszitten, de verloren banen en struggle van het verkrijgen van ritme en regelmaat. Maar bij het zien van de veerkrachtigheid van mijn studenten valt het kwartje en schrap ik mijn gehele lesopzet. Dit is het! Dacht ik. Ik predik het verdorie elke tourmanagement les. De kern van succesvol touren is niet hoop kennis hebben en overal een op antwoord weten, het gaat over oplossingsgericht kunnen denken en samenwerken.
En wat is nu actueler en relevanter dan dat?!
De rest van de les vliegt voorbij.
We bespreken verschillende soorten calamiteiten, type verzekeringen voor een festival, zaal, artiest en het waarborgen van de veiligheid van eigen materiaal, band en crew. Iedereen zit aan het scherm gekluisterd.
‘Zo. We gaan hem afsluiten peoples, zijn er nog laatste vragen?’
‘Ja. Mevrouw, waarom zijn de lessen eigenlijk zo kort? We zitten er net zo lekker in.’
Wie had dat gedacht. De kop is eraf en mijn spanning ook. Deze studenten krijg je niet zomaar klein. Op naar de volgende digitale les! Zoek ik ondertussen nog even een tutorial op over al die andere knopjes in mijn scherm.

Poep

‘Hè bah, nu schei je uit hoor’.
Het was duidelijk dat ik geen medestander had gevonden in mijn diepgewortelde wraakzucht over niet opgeruimde hondenpoep. Wanneer mijn milde ontevredenheid precies is omgeslagen in razende hondsdolheid weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik inmiddels elke hondeneigenaar die poep van eigen viervoeter niet opruimt fysiek pijn wil doen. Zodat ze bij het verlaten van hun huis vier keer controleren of ze poepzakjes bij zich hebben en bij het zien van willekeurige niet opgeruimde poep in elkaar krimpen van schaamte.
Met militaire precisie fabriceer ik nu meerdere oorlogsstrategieën. Het klassieke stokje met een veeg poep eraan door de brievenbus heb ik van de plan of attack-lijst geschrapt. Maar enkel omdat ik geen tijd heb voor een stake-out want verder is dit precies het type kwaad dat mijn inziens recht doet aan mijn dagelijkse plaatsvervangende schaamte.
‘Waarom zou je trouwens in godsnaam zoveel moeite doen?’ vraagt mijn partner die duidelijk vermoeid raakt van mijn zoveelste emotionele drift. Oneens met mij is hij het niet vaak. Wel is hij altijd kritisch op het hoge slachtoffer gehalte in mijn activistische neigingen. Meer dan eens weet hij mij in gesprek dan vakkundig terug te brengen naar acceptabele uitlatingen die ik dan gerust op mijn sociale media kanalen kan zwengelen. Mijn Guerre De Caca staat echter al vast.
‘Ik wil gewoon zonder schaamte met onze hond door de wijk kunnen lopen!’ antwoord ik vurig terug.
Dat is overigens ook echt zo. De veroordelende blikken van alle buren zijn zo stekend dat ik dikwijls de neiging heb om woest zwaaiend met een rits poepzakjes te schreeuwen: ‘IK RUIM ZIJN KAK WEL OP, KIJK MAAR!!’.
Kwalijk neem ik het de vuile blikkijkers overigens niet hoor. De wijk is een real life ‘de-vloer-is-lava’ spel geworden met als extra moeilijkheidsgraad het wekelijks verschuiven van de vrije loopruimtes. Iedereen heeft trouwens zijn eigen manier van het nemen van burgerinitiatief. Om de hoek hangen drie camera’s met een briefje op het raam ‘je staat op camera als je je hond hier laat poepen’. In een straat verderop ligt een boomperkje wekelijks vers bezaaid met scheermesjes, je weet wel, van die scherpe lange schelpensoort. Nogal luguber en dieronvriendelijk als je het mij vraagt.
De meest briljante actie kwam ik tegen toen ik laatst met een vriendin en onze kids in een natuurgebied liep. Alle hondenpoep daar had een fel fluoriserend kleurtje gekregen. De vriendin vertelde dat er een man was die elke dag met een spuitbus langs dit pad liep. Een vriendelijke geste naar wandelaars en kritische waarschuwing voor hondeneigenaren.
‘En als ik nu vlaggetjes in alle poep steek’, stel ik voor nadat het al even stil is geweest, ‘met leuzen als: ‘Doe deze kak ook eens in een zak!’ en ‘Rondje hond? Opruimen die stront!’?’
Een diepe zucht. ’Je doet maar. Het klinkt niet alsof je dit anytime soon los gaat laten.’
Dat klopt, denk ik. Wrijvend in mijn handen loop ik naar de la met knutselspullen.
Going to Defcon 1 in 3, 2, 1….

Van ons leren?!

Het is de eerste dag na de schoolvakantie 09:00 en ik weet mijn god niet waar ik moet beginnen. ‘Zorg bij binnenkomst van de leerlingen dat je individueel contact maakt’ had mijn lesboek mij verteld. Dat was vast en zeker gelukt als de deur niet al open stond en de leerlingen niet al binnen zaten. Great. Ik begin de inhoud van mijn tas op mijn bureau uit te stallen. Het zweet breekt mij uit. Al visualiserend probeer ik te beslissen op welke manier ik de aandacht ga proberen te krijgen. Niks voelt werkbaar.
Met lood in mijn schoenen loop ik naar de deur en trek hem met een klap dicht. Dat moet iets doen, denk ik. Maar het valt niet eens een seconde stil. De weg terug naar het bureau loop ik langzaam. Uitstel van executie. Geen enkele methode uit een lesboek gaat mij nu helpen besef ik mij. Ik heb alleen mijzelf.
Als ik zit en mijn etui zie liggen besluit ik gewoon te doen waar ik goed in ben. Ik pak een leeg blaadje en teken een plattegrond van het klaslokaal. Ernaast leg ik het smoelenboek met alle foto’s van de leerlingen en kijk de klas in. Er wordt niet teruggekeken. Prima! Let’s go.
Op elke plek waar een tafel staat schrijf ik een naam, steekwoorden van het gedrag dat ik zie, woorden die worden gebruikt die ik nog niet ken en vragen die ik heb over de dingen waar ze over praten.
‘Uuuhhh… Gaan we nog wat doen?!’ Klinkt het na een tijdje van een meisje dat haar lange haar aan het vlechten is.
Stacey, heet ze, lees ik op mijn blaadje.
Ik kijk op. ‘Jullie zijn iets aan het doen toch?’
Stacey trekt geïrriteerd één wenkbrauw op.
‘Ik bedoel, gaan we nog iets leren dan of wat?’
Een aantal andere leerlingen luisteren mee.
Ik schrijf bij haar naam: invloed dynamiek+.
‘Nou ik dacht, als jullie niet van mij willen leren, leer ik eerst wel van jullie.’
Nu heb ik bijna alle aandacht.
‘Sorry?! Van ons leren? Wat ga jij nou van ons leren?’ Klinkt het van rechtsachter. Het valt nu helemaal stil en de aandacht is op mij gericht.
Ik spiek op mijn papiertje.
‘Een heleboel, Ricardo’ en schrijf ook bij zijn naam een +.
Hij kijkt mij verbaasd aan.
‘Wat betekend bijvoorbeeld ‘iemand boren?’
Er worden handen voor de mond geslagen en er volgt een ‘Noooooo!’ vol ongeloof van links. Stacey trekt nu beide wenkbrauwen op.
‘Eey beter leg ik dat niet uit mevrouw’, zegt Ricardo die zijn lach nauwelijks kan inhouden.
‘Ok, gucci’ zeg ik zo nonchalant mogelijk.
‘Nooooo mevrouw, kom niet met die shit!’ roept het maatje van Ricardo.
‘Oké oke’ zeg ik terwijl ik mijn handen omhoog gooi alsof ik net ben betrapt en sta op. ‘Maar serieus, ik wil wel wat dingen weten eigenlijk. Bijvoorbeeld: Dina & Demet, spreek ik dat goed uit? Jullie hadden het over die influencer met hoofddoekje die gezeik kreeg over het wel dragen van make-up? Hoe zit dat dan precies?’
Twee paar ogen kijken mij vertwijfeld aan. Dan besluit Dina te reageren, ‘fuck it, ja zij krijgt mega veel gezeik over zich heen, weetje, want binnen ons geloof is het…’
voordat ze haar zin kan afmaken valt Ricardo haar in de reden. ‘Yooo! Waarom moeten wij jou dingen leren?! Jij moet ons toch dingen leren of niet dan?!’
Ik ga op de hoek van het bureau zitten. ‘Wil je wel wat leren dan?’
‘Ja tuurlijk! Waarom ben ik hier anders?’
‘Fair point. Maar wat zou je van mij willen leren dan?’
‘Weet ik veel, ik ken u niet eens!’
‘Zullen we daar dan maar eens mee beginnen?’

Dit verhaal is geïnspireerd op een les van een mbo niveau 2 klas die ik vanaf de gang deels heb meegeluisterd. De namen zijn fictief maar wel passend voor de type persoon die ze vertegenwoordigen.